Bij ons in het ravijn                                                                                                                      

Verschenen in Raster #113: Lees mij ( De Bezige Bij, 2006)                                                         



De eerste keer dat het zwijn bij me aanbelde was ik niet thuis, Het zwijn drukte met zijn hoef een keer kort op de bel, wachtte een poosje en drukte toen nog een keer lang. Toen ik niet open deed, deed het zwijn eerst een paar stapjes achteruit en toen ging het linksaf, de straat uit. Het liep dicht langs de huizen. Er stond een matige tot krachtige wind. De eerste bladeren van het jaar woeien het zwijn van om de hoek tegemoet.

Iedereen die maar doet alsof een jaar rond zou zijn. Nee, een jaar is een liggende ovaal, een eendimensionale rugbybal die traag door een eindeloze ruimte suist. Aan de onderkant zit de zomer, die is gemaakt van dor gras. De herfst zit links, bovenop ligt een spekgladde donkergrijze winter en rechts is het lente, geurig en groen. En in het midden ligt een grote blauwe vijver, waar witte eenden in zwemmen.

De tweede keer dat het zwijn aanbelde was precies een maand later. Het regende, er liepen druppels uit zijn vacht. Ik deed de deur open en voor ik iets kon zeggen liep het al voor me uit de trap op.
‘Ik kom hier even zitten drogen.’ zei het zwijn en het plofte neer op de grote stoel bij de radiator. Ik bleef even besluiteloos in de kamer staan. Daarna probeerde ik te doen alsof ik verder ging met wat ik zou hebben gedaan als er geen zwijn bij me had aangebeld. Ik streek wat haar uit mijn gezicht, liep naar de keuken, deed de koelkast open en verzette een paar potten. Handelen zonder lichamelijke overtuiging kan gevaarlijk zijn. Het is een kunst om alle cellen op één lijn te houden. Er is een eenduidig beleid nodig dat de koers bepaalt. Een kleine verstoring en er schieten al cellen uit hun baan. Eenmaal uit die baan is er geen terugkeer meer mogelijk. Geef het een vinger en het neemt de hele hand.

Ik weet niet hoeveel uren schuifelden langs het huis voorbij. Ik wist niet goed wat ik moest zeggen en het zwijn zei ook niks. Buiten begon het te schemeren, er viel al een poosje geen regen meer. Het licht in de kamer brokkelde langzaam af en duizenden korreltjes zwarte duisternis bewogen zich jachtig over het plafond, langs de poten van de tafel en in de hoek bij de radiator over de stoel. Het duurde niet lang, of het zou voor iemand die van niets wist, moeilijk worden op het eerste gezicht te bepalen, of op de stoel nou een zwijn zat, of dat er een onschuldige hoop kleren lag. Toch, na een poosje zouden de twee lange witte tanden zich onmiskenbaar gaan aftekenen. Helemaal nu ze ineens bewogen: ‘Zo. Ik stap maar weer eens op. Het bevalt me hier. Morgen kom ik terug.’
Toen het zwijn de deur uit was hield ik me een poosje vast aan de deurpost. ‘Nu is het dus toch zover gekomen,’ dacht ik, ‘dit is nog maar het begin. En dat terwijl ik me nimmer noemenswaardig heb misdragen.’
In de kamer hing nu een doordringende beestengeur. Iets zouts, maar ook een bittere geur van insecten, daaronder iets van oude worst vermengd met boomschors en beschimmeld mos. Ik zette een raam open.

Het jaar suisde voort en de hele winter bleef het zwijn langskomen. Het kwam meestal tegen vijven en bleef dan net zo lang hangen tot ik wel móest vragen of het soms mee wilde eten. Het lustte alles en ademde bij het eten rasperig fluitend door zijn neusgaten in en uit. Ik zat aan de andere kant van de tafel en keek moedeloos toe. ‘Is er ook een toetje?’, vroeg het dan, al voor het bord leeg was. Daarna lustte het nog graag een kopje koffie, liefst met iets erbij. En dat alles zonder enige conversatie eromheen. Wat deed het zwijn zoal de hele dag? Beleefde het dan nooit eens wat? Ik had het met de snuit tegen de gloeiende radiator kunnen duwen, er een jachtgeweer op kunnen richten, niks kwam eruit.

Op een koude dag in januari zei het zwijn: ‘Ik zou wel graag een bad nemen.’ Ik liet de badkuip voor hem vollopen en even later lag het zwijn op zijn rug met zijn snuit omhoog en zijn voorpoten wiegend langs zijn borst in het water te deinen. De kleine oogjes had het gesloten en om zijn bek krulde een zuinige grijns. Af en toe trok er een vlugge trilling door één van zijn oren, verder heerste er volmaakte rust.
‘En?’ vroeg het zwijn, ‘Hou je al een beetje van me?’

De week erop voelde ik steeds jeuk. Ik besteedde er niet teveel aandacht aan, maar toen ik eens na het douchen in mijn blootje voor de spiegel stond en me omdraaide, zag ik met overslaand hart dat uit mijn bilspleet een lange pluk stug zwart haar stak. Vol ongeloof probeerde ik hem er nog uit te trekken, maar hij zat muurvast. Ik werd bleek, hapte naar adem en meteen daarop klonk de deurbel. Dat was het zwijn natuurlijk.

‘Ik was er, maar je was er niet. Ik heb een teek. Verder alles goed. Morgen maar weer proberen. Je zwijn.’ Alleen dat handschrift al!

Op mijn werk, in de metro, overal waar ik kwam begon ik te merken dat de mensen me uit de weg probeerden te gaan. Dat moest wel te maken hebben met die hardnekkige lucht, die zich om me heen had geslingerd en die tot diep in de vezels van mijn kleren was doorgedrongen. Zelf raak je na een poosje min of meer aan zoiets gewend. Je ruikt het bijna niet meer.

Ergens in het voorjaar droomde ik van een lange smalle kamer met langs de muren stalen kasten, gevuld met documenten en naslagwerken. Aan het eind zat het zwijn met zijn rug naar me toe achter een bureau, druk bezig met het doorbladeren van papieren. Ik haalde diep adem en beende erop af. ’Luister eens,’ zei ik streng. Het zwijn keek niet op of om. ‘Dit moet afgelopen zijn. Ik doe hier niet meer aan mee.’ Het zwijn pakte rustig een stapeltje documenten op, liet het tweemaal verticaal tegen het bureaublad vallen, legde het weer neer en strekte zijn hoefjes uit naar een volgende stapel. ‘O ja? Wie zegt dat?’ vroeg het dommig. ‘Ik.’, zei ik, ‘Ik zeg dat, hoor je!’ Toen draaide ik me om en liep de kamer uit. Althans, dat probeerde ik, maar het lopen was als door water, met hevige tegenstroom.

Om te ontspannen probeer ik s’nachts vaak te denken aan het jaar en aan de eendenvijver. Het is mijn houvast, één van de weinige ongerepte beelden die ik nog bezit. Verder is alles aangevreten en door de modder gesleept.
s’Ochtends moet ik me goed concentreren voor ik opsta. Het is moeilijk om rechtop te lopen. De vloer ligt zo griezelig ver weg. Het valt me op dat mensen die in een dal of een vallei wonen, altijd zeggen: ‘Bij ons hier in het dal’, of: ‘Hier in de vallei.’ Je hoort nooit eens: ‘Wij hier in het ravijn doen aan gescheiden afval.’, of: ‘Bij ons hier in het ravijn is gisteren een tweeling geboren.’
Af en toe koop ik een woontijdschrift. Ik ben er lange tijd mee zoet. Dan ga ik een poosje op zo’n mooi beklede bank zitten in de één of andere zonovergoten serre met uitzicht over een meer. Vaak ligt er dan op een glanzende koffietafel weer een stapel prachtig geïllustreerde boeken om door te bladeren, het houdt niet op. Tussen de grote kleurenfoto’s lees ik teksten als: ‘Weken was Simon in de weer om al het onkruid te bedwingen. Mariska toverde ondertussen met haar verfkwast...’ enzovoort. Er wordt zo hard gewerkt op deze wereld en er wacht zoveel beloning. Ook staan er voorraadschuren vol geduld. Dat is een ding dat zeker is.